LOFLIED OP DE WEVER (I)

Wevers en maakt er geen droefheid meer.
Hoor mijn gezang te uwer eer.
Die wevers zijn, 't zij vrouw of man,
'k heb uwen lof beschreven.
Hoe dat er niemand leven kan,
tenzij er wordt geweven.

Want alle stoffen grof en fijn,
die moeten al geweven zijn.
Voor nonnen, kwezels en mevrouw,
ook alle priesters kleren.
Die komen van het getouw,
den wever heeft de ere.

De meulder kan niet malen gaan,
ofwel de weverij moet gaan.
De zakken daar men graan in doet,
't komt uit de wevers handen.
De weverij ik prijzen moet,
hier en in alle landen.

vervolg ...